Stageverordening

De algemene vergadering van de Orde van Octrooigemachtigden;
Overwegende, dat het gewenst is regelen te stellen ten aanzien van de opleiding van stagiairs tot octrooigemachtigde;

Gelet op Artikel 23h, derde lid van de Rijksoctrooiwet 1995;

Gelet op de adviezen van de Raad van Toezicht;

Stelt de navolgende verordening vast:

Definities

Art. 1

In deze verordening wordt verstaan onder:
a. De Raad: de Raad van Toezicht;

b. Het Bestuur: Het bestuur van de Orde van Octrooigemachtigden

c. De octrooigemachtigde: de in het register ingeschreven octrooigemachtigde;

d. De stagiair: een octrooigemachtigde in opleiding die voldoet aan de toelatingseisen
voor het examen, zoals neergelegd in artikel 27a, lid 1 van het Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995( dan wel een vrijstelling volgens dit art 27a, lid 2 heeft verkregen);

e. De patroon: de octrooigemachtigde onder wiens toezicht de stagiair wordt opgeleid;

f. Het patronaat is de verhouding tussen stagiair en patroon gedurende de opleiding van de stagiair tot octrooigemachtigde;

g. De buitenpatroon: de octrooigemachtigde onder wiens toezicht de stagiair buiten het kantoor van de octrooigemachtigde wordt opgeleid;

h. Het buitenpatronaat: het patronaat waarbij de stagiair niet hetzelfde kantoor houdt als de patroon;

i. De stage: de periode gedurende welke de verhouding tussen de patroon en de stagiair als bedoeld in artikel 23a van de Rijksoctrooiwet 1995 voortduurt;

j. Het register: het register van octrooigemachtigden;

k. De wet: de Rijksoctrooiwet 1995.

De stage

Art. 2

De stage begint op de dag waarop de stagiair zijn stagewerkzaamheden onder toezicht van een patroon heeft aangevangen. De patroon brengt dit tijdstip onverwijld schriftelijk ter kennis van het Bestuur.

Verplichtingen van de patroon

Art. 3

1. De patroon is verplicht naar vermogen mede te werken aan de opleiding van de stagiair tijdens de stage, zoals die in deze verordening zijn geregeld.

2. De patroon verschaft de stagiair aanwijzingen, voorlichting en raad met betrekking tot het behandelen van octrooiaanvragen in de ruimste zin des woords. Hij schenkt daarbij bijzondere aandacht aan de introductie van de stagiair bij en vervolgens aan diens optreden tegenover beroepsgenoten en cliënten.

3. De patroon stelt de stagiair die bij hem, bij zijn kantoor of bij zijn bedrijf in loondienst is, met behoud van diens salaris, in de gelegenheid gedurende kantooruren een overeengekomen opleiding ter voorbereiding op het examen genoemd in de wet te volgen.

Verplichtingen van de stagiair

Art. 4

1. De stagiair die het examen bedoeld in artikel 23a van de Wet nog niet heeft gehaald, dan wel op grond van Artikel 23a, lid 5 van de wet geen ontheffing is verleend van de verplichting het examen af te leggen, is verplicht zich actief voor te bereiden op dat examen.

2. De stagiair, dient de hem door de patroon verschafte aanwijzingen, zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, op te volgen.

3. De stagiair is, tenzij bij of krachtens de wet anders is bepaald, verplicht tot geheimhouding van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn werkzaamheden als zodanig kennis neemt. Deze verplichting blijft bestaan na beëindiging van de desbetreffende werkzaamheden.

4. De stagiair is verplicht zich te houden aan de verordeningen bedoeld in artikel 23h, lid 4, van de Wet.

Buitenpatronaat

Art. 5

1. Een persoon die als stagiair octrooiwerkzaamheden wil verrichten buiten het kantoor van een octrooigemachtigde, als bedoeld in artikel 23h, lid 3, van de Wet, dient een verzoek tot benoeming van een octrooigemachtigde als buitenpatroon in bij de Raad van Toezicht. Dit verzoek dient vergezeld te zijn van een verklaring van de octrooigemachtigde waarin hij zich bereid verklaart als buitenpatroon voor deze persoon op te treden.

2. Indien een persoon ondanks aantoonbaar intensieve inspanningen er niet in geslaagd is een octrooigemachtigde bereid te vinden als zijn buitenpatroon op te treden, kan deze persoon het Bestuur verzoeken te bemiddelen bij het vinden van een buitenpatroon.

3. De Raad gaat slechts over tot benoeming van de octrooigemachtigde als buitenpatroon als bedoeld in het eerste lid, zonodig onder nader te stellen voorwaarden, indien naar het oordeel van de Raad uit het verzoek of de verklaring blijkt dat een behoorlijke opleiding van en praktijkuitoefening door de stagiair tijdens de stage voldoende is gewaarborgd.

4. Indien een octrooigemachtigde aan de stagiair een vergoeding wenst te vragen voor zijn inspanningen als buitenpatroon, dient de vergoeding in een redelijke verhouding te staan tot de door hem aan het buitenpatronaat bestede tijd.

Deeltijd

Art. 6

1. Voor stagiairs die in deeltijd werkzaam zijn wordt de duur van de stage naar evenredigheid verlengd.

2. De stagiair, die op de voet van het bepaalde in het eerste lid werkzaam wenst te zijn, dient dat vooraf ter kennis te geven aan het Bestuur.

Tussentijdse beëindiging en schorsing van de stage

Art. 7

1. De stage eindigt tussentijds:
a. Krachtens onderling goedvinden van patroon en stagiair;
b. Na opzegging door de stagiair;
c. Na opzegging door de patroon;
d. Wegens ernstig plichtverzuim vast te stellen door de Raad;

2. De patroon brengt een tussentijdse beëindiging als bedoeld in het vorige lid onder a, b en c onverwijld schriftelijk ter kennis van het Bestuur.

3. De benoeming van de buitenpatroon wordt geschorst indien blijkt dat aan de voorwaarden bij of krachtens deze verordening gesteld, niet meer wordt voldaan.

4. De stage is van rechtswege geschorst gedurende de tijd dat de stagiair geen patroon heeft.