Direct naar de inhoud van deze pagina Direct naar het hoofdmenu van dezed pagina Direct naar het submenu van deze pagina

Gedragsregels voor de octrooigemachtigde

Het doel van deze Gedragsregels is het optreden van de leden te regelen voor zover dit optreden plaats heeft als octrooigemachtigde volgens de Rijksoctrooiwet 1995.


In deze Gedragsregels zijn de volgende definities van toepassing:

 

1. Algemeen

a) De algemene eisen gesteld aan leden van de Orde zijn vastgelegd in hoofdstuk 2, § 1a van de Rijksoctrooiwet 1995 en in het Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995.

 

b) De algemene principes betreffende de beroepsuitoefening zijn vastgelegd in deze Gedragsregels, die een afspiegeling zijn van de huidige opvattingen van de Beroepsgroep. Een Lid wordt door deze Gedragsregels niet ontheven van zijn eigen verantwoordelijkheid te voldoen aan de bepalingen die zijn opgenomen in de Rijksoctrooiwet 1995 en in het Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995.

 

c) Een Lid dient in de eerste plaats een betrouwbaar en deskundig adviseur te zijn voor personen die geïnteresseerd zijn in aangelegenheden op het gebied van de industriële eigendom. Het Lid dient op te treden als onafhankelijk adviseur door op onbevooroordeelde wijze de belangen van zijn Cliënten te dienen zonder daarbij rekening te houden met zijn persoonlijke gevoelens of belangen.

 

d) Een Lid oefent zijn beroep naar eer en geweten uit op een wijze die in overeenstemming is met de eer en het aanzien van het beroep. Het zal er in het bijzonder op toezien zich te onthouden van het afgeven van valse of misleidende verklaringen.

 

e) Een Lid gedraagt zich in zijn beroepsuitoefening zodanig dat geen afbreuk wordt gedaan aan het vertrouwen in het beroep van octrooigemachtigde.

 

f) Een Lid neemt maatregelen om de belangen van zijn Cliënten te beschermen in geval het verhinderd zou zijn zijn beroep uit te oefenen.


g) Elk Lid dient op de hoogte te zijn van de Gedragsregels en kan zich niet beroepen op onbekendheid daarmee.


h) Schending van de Gedragsregels kan niet worden gerechtvaardigd door een beroep op instructies van een Cliënt.

 

2. Reclame

a) Het maken van reclame is in het algemeen toegestaan op voorwaarde dat de inhoud ervan waarheidsgetrouw is en in overeenstemming is met grondbeginselen zoals integriteit en naleving van het beroepsgeheim.


b) Bij het maken van reclame is niet toegestaan:

1) het noemen van de naam van een cliënt zonder uitdrukkelijke toestemming van deze Cliënt;
2) het aankondigen, bekend maken of publiceren van aanbiedingen betreffende de koop, verkoop of bemiddeling inzake specifieke industriële-eigendomsrechten, behalve wanneer dit voortvloeit uit instructies van een Cliënt.

 

3. Relatie tot het publiek

a) Een Lid houdt de eer en het aanzien van de beroepsgroep en het optreden als octrooigemachtigde bij de nationale octrooiverlenende instantie hoog.


b) Een Lid onthoudt zich van aanduidingen op kantoorruimtes, briefpapier of op enige andere wijze, die misleidend zijn voor het publiek.


c) Een Lid staat niet toe dat een persoon die geen Lid is zonder adequaat toezicht onder de naam van het Lid of zijn kantoor werkzaamheden verricht die verband houden met het optreden als octrooigemachtigde bij de nationale dienstverlenende instantie.


d) Wat de uitoefening van zijn beroep betreft is een Lid verantwoordelijk voor de daden van zijn medewerkers die geen Lid zijn.

4. Relatie tot Cliënten

a) Een Lid betracht volstrekte geheimhouding over elke mededeling van vertrouwelijk aard die het in de uitoefening van zijn beroep is gedaan, tenzij het van zijn geheimhoudingsplicht is ontslagen.


b) Een Lid besteedt te allen tijde de vereiste zorg en aandacht aan het werk dat hem is toevertrouwd door Cliënten en voert dit werk met de vereiste deskundigheid uit. Een Lid houdt Cliënten op de hoogte van de stand van hun zaken.


c) In principe hoeft een Lid niet de belangen van een Cliënt te dienen in zaken die geen verband houden met het werk dat aan het Lid als octrooigemachtigde door de Cliënt is toevertrouwd.


d) Indien een Lid een opdracht niet wil aanvaarden of indien het zijn dienstverlening inzake een lopende opdracht wil beëindigen, deelt het dit onverwijld aan de Cliënt mede. In het laatste geval treft het Lid de nodige maatregelen om de Cliënt in staat te stellen nadeel te vermijden.


e) Een Lid is verplicht een opdracht te weigeren of terug te geven indien de behandeling of voortzetting daarvan noodzakelijkerwijs conflicteert met belangen die het voor een andere Cliënt behartigt of heeft behartigd of waarover het heeft geadviseerd. Ook neemt een Lid geen actie tegen een zaak die behandeld wordt of behandeld is door het Lid of een kantoorgenoot, tenzij de Cliënt in deze zaak daarvoor uitdrukkelijk toestemming geeft, of het Lid geen kennis heeft van deze zaak en daarvan ook geen kennis kan nemen anders dan uit openbaar toegankelijke bronnen. Het is het Lid ook niet toegestaan om bij deze actie gebruik te maken van van deze Cliënt afkomstige, niet openbare informatie.


f) Een Lid weigert een opdracht die conflicteert met zijn eigen belangen. Indien in een dergelijk geval het uitvoeren van de opdracht niet kan worden uitgesteld zonder mogelijke schade voor de cliënt, aanvaardt een Lid de opdracht en voert het deze uit voor zover dit onmiddellijk vereist is om de mogelijke schade te voorkomen; daarna legt het de volmacht in deze zaak neer.


g) Een Lid verwerft geen financieel belang in een industrieel eigendomsrecht indien dit aanleiding geeft tot een conflict tussen de beroepsplicht en dit belang.


h) Een Lid wordt automatisch ontheven van zijn geheimhoudingsplicht als de geheime informatie is gepubliceerd.

 

5. Betrekkingen met andere Leden

a) Een goede collegialiteit tussen Leden is noodzakelijk voor het instandhouden van de eer en het aanzien van het beroep van octrooigemachtigde en dient altijd in acht te worden genomen onafhankelijk van persoonlijke gevoelens. Dit houdt in dat een Lid zich niet in onheuse of beledigende termen over een ander lid mag uitlaten. Grieven met betrekking tot een ander Lid dienen eerst persoonlijk met het andere Lid te worden besproken, dat wil zeggen onder vier ogen of via een derde Lid, en vervolgens, indien noodzakelijk, via de officiële kanalen zoals voorgeschreven in de Rijksoctrooiwet 1995 te worden behandeld.


b) Aangezien het behoud van de beroepsgroep een zaak van het hoogste belang is voor de Orde, mag geen Lid discriminatie tussen Leden uitoefenen of bevorderen.


c) De leden vermijden elke gedachtewisseling over een concrete zaak die bij één hunner in behandeling is, tenzij de Cliënt verklaart dat hij een onafhankelijke mening wenst of van octrooigemachtigde wil veranderen. Het Lid mag het andere Lid alleen informeren als de Cliënt hiermee instemt.


d) Als een Lid de opdracht krijgt van een Cliënt om de behandeling van een zaak over te nemen van een ander Lid dan is het Lid dat die opdracht krijgt vrij om deze te accepteren, op voorwaarde dat het ervoor zorgt dat het andere Lid direct wordt geïnformeerd. Dit andere Lid zal zonder vertraging alle documenten die noodzakelijk zijn voor het behandelen van de zaak lenen of overdragen dan wel kopieën aan de nieuwe octrooigemachtigde ter beschikking stellen tegen een redelijke vergoeding.

 

6. Betrekkingen met de nationale octrooiverlenende instantie.

In alle betrekkingen met de nationale octrooiverlenende instantie en haar werknemers treedt een Lid hoffelijk op en doet het al het mogelijke om de eer en het aanzien van de Beroepsgroep hoog te houden.

 

7. Betrekkingen met de Orde

a) Leden houden de Orde op de hoogte van hun adres waar correspondentie en andere informatie van de Orde naartoe gestuurd dient te worden. Adresveranderingen worden onverwijld doorgegeven aan het bureau van de Orde.


b) Een Lid mag zonder toestemming van de voorzitter van de Orde geen enkele schriftelijke of mondelinge mededeling doen namens de Orde.


c) Een Lid heeft het recht om de voorzitter van de Raad van Toezicht van de Orde een mening te vragen over de toelaatbaarheid volgens deze Gedragsregels van enige handeling welke het lid voorstelt te doen of te sanctioneren. Een dergelijke mening is niet bindend voor de Raad van Toezicht, doch heeft tot gevolg dat het lid dat het advies heeft opgevolgd in de desbetreffende aangelegenheid geacht wordt te goeder trouw te zijn, voor zover de feiten
en omstandigheden dezelfde waren als in het verzoek om advies naar voren werden gebracht.

 

 
zoeken loginsitemapEnglish